Mijn dochtertje van vijf vraagt me weleens waar ik bang voor ben. Dat vindt ze blijkbaar fascinerend. En elke keer moet ik op mijn lip bijten, om niet de waarheid te zeggen. Ik ben eigenlijk nergens echt bang voor, niet voor de dingen waar kinderen dan aan denken althans, niet voor spinnen, niet voor hoogtes, niet voor het donker. Er is maar één ding dat mij de adem doet benemen als ik er aan denk, en dat is de dood. Maar dat wil ik niet tegen haar zeggen. Dus dan zeg ik toch maar weer iets als: ik ben bang voor pissebedden. Wat voor haar totaal ongeloofwaardig klinkt, want zij is gék op pissebedden. Ja, echt. En diezelfde onschuld, die onschuld waarmee zij naar die pissebedden kijkt – en ze heeft gelijk hoor, hoe cool dat als je een pissebed oppakt dat ie zich helemaal oprolt, als een klein kogeltje! – die onschuld die wil ik haar dus niet ontnemen. Ik wil niet dat ze bang is voor de dood, omdat mama daar bang voor is. Ik wil helemaal niet dat ze daar over nadenkt. En...
Ik heb de laatste tijd een soort hernieuwde levenslust gevonden. Zin om allemaal nieuwe dingen op te pakken. Schrijven, tekenen, pianospelen, rolschaatsen - ik voel heel veel zin in van alles. Ik heb zo veel ideeën en wil nog zo veel doen! Zou het een nieuwe rouwfase zijn? De aan-de-slag-fase? De ik-leef-nog-fase? De we-hebben-niet-zoveel-tijd-hier-op-aarde-dus-doe-het-nu-maar-fase? Niet omdat ik klaar ben met rouwen, het rouwen doet nog steeds zijn werk, maar het rouwen is juist een motor geworden. Rouw kan je enorm afremmen, of zelfs compleet stil doen staan. In het begin voelde dat absoluut zo, de wereld draaide maar door en ik stond stil, zag het allemaal langs me heen razen. Maar inmiddels is het feit dat ik een 'rouwer' ben, juist iets dat me vóórtstuwt. Het feit dat ik me bewust ben van de eindigheid van dit leven, van onze beperkte tijd, geeft me steeds weer dat zetje. 'Doe het gewoon, doe het nu! Misschien ben je er straks niet meer.' En ik ben ook eigenlijk ...