Doorgaan naar hoofdcontent

Mam, waar ben jij bang voor?


Mijn dochtertje van vijf vraagt me weleens waar ik bang voor ben. Dat vindt ze blijkbaar fascinerend. En elke keer moet ik op mijn lip bijten, om niet de waarheid te zeggen. Ik ben eigenlijk nergens echt bang voor, niet voor de dingen waar kinderen dan aan denken althans, niet voor spinnen, niet voor hoogtes, niet voor het donker. 

Er is maar één ding dat mij de adem doet benemen als ik er aan denk, en dat is de dood.

Maar dat wil ik niet tegen haar zeggen.

Dus dan zeg ik toch maar weer iets als: ik ben bang voor pissebedden. Wat voor haar totaal ongeloofwaardig klinkt, want zij is gék op pissebedden. Ja, echt. En diezelfde onschuld, die onschuld waarmee zij naar die pissebedden kijkt – en ze heeft gelijk hoor, hoe cool dat als je een pissebed oppakt dat ie zich helemaal oprolt, als een klein kogeltje! – die onschuld die wil ik haar dus niet ontnemen. 

Ik wil niet dat ze bang is voor de dood, omdat mama daar bang voor is. Ik wil helemaal niet dat ze daar over nadenkt.

En waarom bén ik eigenlijk bang voor de dood? Ik hoor wel eens mensen zeggen dat ze niet bang voor de dood zijn. Want dan ben je er toch niet meer, zeggen ze dan, daar merk je dan toch niks van. 

Maar ik ben juist dáár nu bang voor. Voor dat niks meer merken. Ik ben bang voor het feit dat er dan misschien wel niks meer is. Ik ben bang voor het idee, dat ik dan niet meer kan denken en voelen en dus niet meer kan uitreiken naar anderen, dat ik niet kan kijken hoe het met iedereen gaat, hoe het met mijn dochtertje gaat, ook al hoort ze me misschien niet. 

Ik wil niet er niet meer zijn. Het idee alleen al, daar krimpt mijn maag van ineen. Ik hoop echt heel erg dat ik na mijn dood nog ergens ben, van mijn part met vleugeltjes en ergens op een wolk, als ik maar kan zíen dat alles ook goed gaat zonder mij. Ik geloof ook dat het allemaal wel goed zal komen zonder mij, dáár ben ik niet bang voor, maar ik wil er gewoon nog wel een beetje bij zijn. Ze hoeven me niet meer te zien of te horen, maar ik hun wel. Dat is genoeg. Maar echt helemaal geen zicht meer hebben op de dingen, die gedachte vind ik doodeng.

En dat al mijn gedachten dan weg zijn en niemand ooit zal weten wat ik allemaal gedacht heb, alle stomme maar ook mooie dingen, al die intelligente ingevingen die ik nooit hardop zei, en grappige ook, en ook wat ik allemaal gezien heb en waar ik van genoten heb, al die details die dan verloren zullen gaan. Mijn adem stokt bij het idee. Alsof het dan allemaal voor niets is geweest.

Het grote niets, dat vind ik echt angstaanjagend.

Maar nog véél banger ben ik om mijn dochtertje te verliezen. Dan zou mijn leven ook voorbij zijn, ik zou niet weten hoe dan verder. Ik wil daar ook niet over nadenken. Ik zie nog steeds voor me hoe ze op een zorgeloze dag met haar fietsje de weg overstak, te ver voor mij uitgefietst, mij niet horend, en niet links en niet rechts kijkend, maar op wonderlijke wijze kwam er net geen auto aan, als door de rode zee bereikte ze de overkant. En aan de overkant aangekomen stopte ze eindelijk en keek ze trots naar me om, terwijl links en rechts de golven neerstorten, lees: het verkeer weer op gang kwam. Mijn hart zat in mijn schoenen. 

Ik ben toen heel erg boos geworden, maar nee ik vertel haar natuurlijk niet over die allergrootste angst. Ze hoeft niet te weten dat die mogelijkheid überhaupt bestaat, ouders die hun kinderen verliezen. Ze vindt het al zo oneerlijk dat papa als eerste dood zal gaan, want dat is wat zij denkt. Dat lijkt natuurlijk het meest logisch in haar kinderbrein, de oudsten het eerst. En dat zou misschien ook wel zo eerlijk zijn. Maar ze hoeft nog niet te weten dat het leven niet logisch is, en ook niet eerlijk. En de dood al helemaal niet.

Maar ergens weet ze dat helaas al wel. Want zij weet ook wel dat haar nichtje geen vader meer heeft. En ze stelt daar ook hardop vragen over. Op een vakantiekaart wil ze haar nichtje vragen of ze haar vader mist omdat ie dood is.

Ik word ook bang bij het idee dat die vader van haar nichtje, mijn overleden broertje, nergens meer zou zijn. Echt helemaal nergens. Dat er dus geen contact mogelijk is. Never nooit niet meer. Ik kan daar ook niet te lang over nadenken. Dat doet écht pijn.

Dus tja, lieverd: ‘Ik ben bang voor naaktslakken,' zeg ik en trek een gezicht. 'Brrr.’

En ik besteed aandacht aan de kleine beestjes, de pissebedden, de motjes, de slakjes – met huis! – die mijn dochtertje me aanreikt. 

En ik neem een spinnetje – waar al mijn huisgenoten dus wél bang voor zijn, maar ik niet – in de kom van mijn hand om die met liefde buiten de deur te zetten. ‘Leef nog maar even door kleine jongen, ik zal het ze niet vertellen’.

Reacties

  1. Konden wij maar echt terug halen wat wíj́ dachten toen we die leeftijd hadden van Emma…..misschien wisten we in onze kinderbreinen eigenlijk best wel hoe het allemaal “ in elkaar steekt” maar hebben we de juiste woordenschat nog niet gehad. Maar goed ook want zo leken we onschuldige vragen te stellen en lieten onze ouders ons heerlijk in die onschuld opgroeien. En zo hebben wij nu als volwassen breinen de angst over dood gaan of niet …..Eerlijk? Ik ben er ook bang voor maar kan het niet goed definiëren, soms ben ik er totaal niet bang voor en soms wel…

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ja, die onschuld is natuurlijk maar beperkt. Zodra ze een en een bij elkaar leren optellen ben je eigenlijk al verloren… beginnen ze dingen met elkaar te rijmen… en kun je op een gegeven moment misschien ook maar beter gewoon eerlijk en helder zijn, ook over de dood. Ik ben ook geen voorstander van dat helemaal maar wegwuiven hoor het onderwerp dood, maar ik denk wel dat als zij zou weten dat de dood mijn grootste angst in het leven is, dat dat dan geen goede invloed zou hebben op haar (ontwikkelende) denken hierover.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Jouw blog is zo herkenbaar! De dood en vooral het ‘niets’ is ook mijn grootste angst. Die is er al zolang ik me kan herinneren en steekt bij momenten de kop op. Jouw andere angst, het verliezen van een kind, is bij ons helaas waarheid geworden. Los van het verdriet en grote gemis heeft het me gek genoeg ook wel geholpen om me te verhouden tot de angst voor de dood. De gedachte dat er misschien iets is, is helpend omdat we elkaar dan ooit nog weer zullen ontmoeten en de gedachte dat er niets is, is op een vreemde manier ook meer acceptabel geworden, al kan ik dat niet zo makkelijk uitleggen. Voor mij helpt het om de angst voor de dood te zien als een angst die juist bij het leven hoort, die maakt dat je misschien wel extra van het leven kan genieten en ook een teken is van alle dingen die er zijn die het leven zo waardevol maken. Als de angst van tijd tot tijd de kop opsteekt, probeer ik het er maar te laten zijn, wetende dat de angst ook weer wegebt.
    Ik denk dat je gelijk hebt dat het voor kinderen niet helpend is om je angst in ‘volle omvang’ met ze te delen. Wanneer ik met mijn kinderen over de dood praat, benoem ik wel dat ik het soms lastig vindt dat we niet weten wat er na het leven met je gebeurd. Dan geniet ik ook van de nuchtere/luchtige gedachtegang van een kind, waarbij dit lastige vraagstuk vervolgens net zo makkelijk weer geparkeerd kan worden.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

I’m a sucker for symbolism

Ik vind het fijn als dingen rijmen. Of allitereren. Als er een patroon te ontdekken is. En als dingen precies op het juiste moment opduiken. Net als je het nodig hebt. Knipoogjes van boven. De grootste vraag waar ik mee rondloop sinds de dood van mijn broertje Jogchum, is de vraag waar hij nu is. Óf hij nog ergens is, en wáár hij dan is. En ja, gaandeweg kwam ik tot de conclusie dat ik hem vond in heel veel verschillende dingen. Een regenboog op een verjaardag waar hij bij had moeten zijn. Een roodborstje dat zich maar niet liet afschrikken hoe dichtbij ik ook kwam. Een logo voor op mijn boek over mijn broertje, waarbij ik mijn zelfbedachte uitgeverij Regenboogjagers logischerwijs afkortte tot een R en een J. En dan ineens zien: RJ. Reina. Jogchum. I’m a sucker for symbolism. Je kunt dat soort dingen altijd wegredeneren, als je wilt. Maar dat wil ik natuurlijk meestal niet. Want ik wíl graag dat het een knipoog van mijn broertje is. Ik wíl graag dat hij nog ergens is. Dat hij nie...

Zij óók

Als je vol in je rouw zit, is het moeilijk om open te staan voor de verhalen van anderen. Jouw verhaal voelt zó groot dat je je niet kunt voorstellen dat de verhalen van anderen dat kunnen overtreffen of er iets aan bij kunnen dragen. Maar toen ik mijn tekeningen van en herinneringen aan mijn broertje begon te delen, begonnen mensen ook hun verhalen met míj te delen. En ik leerde om vaker de vraag te stellen: ‘Heb jij ooit zoiets ingrijpends meegemaakt?’ Want het was alsof er een schatkist openging als ik die vraag durfde stellen. Wat heel paradoxaal klinkt als je het over verlies hebt, maar de reacties van anderen brachten me zó veel. Verbinding door herkenning. Ik merkte dat er mensen waren van wie ik helemaal niet wist dat zij óók met een rouwend hart rondliepen. Ik kwam in contact met mensen die ik voorheen niet kende, die zich in mijn verhaal en tekeningen herkenden. Ik hoorde verhalen van verlies – van relaties, van kinderen, van ouders, van werk, van dromen. Verhalen die vaak ...